Welkom op Yinfo.nl, alle informatie voor pubers & jongeren.

werken en leren

Wet investeren in jongeren (WIJ)

De Wet investeren in jongeren (WIJ) is per 1 oktober 2009 in werking getreden en is gericht op jongeren van 18 tot 27 jaar. De WIJ kan ook op sommige jongeren van 16 en 17 jaar worden toegepast (zie paragraaf 20.3.1).

Alle jongeren tot 27 jaar die zich melden bij DWI, kunnen een aanvraag indienen voor een werkleeraanbod. De bedoeling is dat alle jongeren geactiveerd worden. Meedoen op de arbeidsmarkt is van groot belang. De wet verplicht de gemeente om te investeren in de arbeidsinschakeling van deze jongeren. Soms is sprake van een kleine afstand tot de arbeidsmarkt waardoor het aanbod gericht zal zijn op ‘het laatste zetje’ dat een jongere nodig heeft. In andere gevallen is de afstand groot en is een langdurig traject nodig om de afstand tot de arbeidsmarkt te overbruggen.

De Wet investeren in jongeren is onderverdeeld in twee aspecten; het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening. De inkomensvoorziening kan voortvloeien uit een werkleeraanbod. Jongeren kunnen een aanvraag indienen voor een werkleeraanbod, niet voor een inkomensvoorziening. Naast het beoordelen van het recht op een werkleeraanbod wordt tegelijkertijd vastgesteld of een inkomensvoorziening noodzakelijk is.

In de WIJ is de relatie tussen werken en leren fundamenteel anders dan in de WWB. In de WWB staat het recht op bijstand voorop waarbij een plicht tot arbeidsparticipatie wordt opgelegd. In de WIJ is dit andersom.

Werkleeraanbod (WLA) 
Het doel van het werkleeraanbod is duurzame arbeidsinschakeling van de jongere. Dit kan een eenmalige voorziening zijn maar ook een reeks aan voorzieningen, net wat nodig is. Dit betekent dat maatwerk moet worden geboden. Een groot aantal jongeren zal gaan deelnemen aan een traject van DWI. Deelname aan deze trajecten kunnen een inkomensvoorziening genereren.

Inkomensvoorziening (IV) 
De inkomensvoorziening geldt alleen voor jongeren vanaf 18 die onvoldoende inkomsten ontvangen of die wegens niet verwijtbare persoonlijke belemmeringen/omstandigheden niet kunnen deelnemen aan een werkleeraanbod. Deze inkomensvoorziening vertoont veel gelijkenissen met de bijstand wat betreft de voorwaarden die aan dit recht verbonden zijn. De inkomensvoorziening kent net als de WWB een systeem van normen en voorschotten tijdens de behandeling van de aanvraag (van het werkleeraanbod). Binnen de WIJ gelden terugvorderings- en verhaalsbepalingen die overeenkomen met de WWB.

20.1 Een overzicht van de verschillen met de WWB

WWB

WIJ

Re-integratie volgt als plicht uit uitkering Inkomensvoorziening volgt als afgeleide van het werkleeraanbod
Voor iedereen vanaf 27 tot 65 jaar Voor iedereen vanaf 16 tot 27 jaar
Beoordeling recht op uitkering na aanvraag Ambtshalve beoordeling inkomensvoorziening na vaststelling recht op werkleeraanbod
Inkomstenvrijlating Geen inkomstenvrijlating
Onkostenvergoeding vrijwilligerswerk en (deeltijd)premie zijn geen inkomsten Onkostenvergoeding vrijwilligerswerk en (deeltijd)premie zijn wel inkomsten
Tekortschietend besef van eigen verantwoordelijkheid is afstemmingswaardig gedrag Het begrip tekortschietend besef van eigen verantwoordelijkheid is niet opgenomen in de WIJ
Wensen van klant ten opzichte van het re-integratietraject worden voor kennis aangenomen Wensen van jongeren ten opzichte van het werkleeraanbod worden vastgelegd in een rapportage
Niet meewerken aan totstandkoming van re-integratietraject kan leiden tot afstemming Niet meewerken aan totstandkoming van het werkleeraanbod leidt tot afwijzing
Na afloop re-integratietraject, kan nieuw traject worden ingezet Na afloop re-integratietraject wordt ambtshalve een nieuw traject ingezet
Periode van opschorting is maximaal 8 weken Bij constatering van een afwijkend adres in GBA is de periode van opschorting maximaal 3 maanden
Mogelijkheid tot aanvraag bijzondere bijstand Bijzondere bijstand is niet geregeld binnen de WIJ, blijft bij WWB
Jonggehandicaptenkorting wordt vrij gelaten Jonggehandicaptenkorting wordt gekort
Vrijlating van de aanvullende alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De aanvullende alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting worden verrekend met de inkomensvoorziening.


20.2 Aanvraag

Een jongere kan op verschillende manieren binnenkomen bij het Jongerenloket, via het UWV/Werkbedrijf, het Jongerenloket zelf of via de balie van het Werkplein. Een jongere dient zich als werkzoekende te laten registeren bij het UWV/Werkbedrijf. Bij het ontbreken van een vaste woonplaats gaat het om het feitelijk verblijf.

20.2.1 Adresloze jongeren

Jongeren zonder adres kunnen bij een centrumgemeente een aanvraag indienen voor een werkleeraanbod (artikel 13 lid 3 WIJ). Amsterdam is een van de 43 gemeenten die is aangemerkt als centrumgemeente. Een overzicht van centrumgemeenten in te vinden in 
hoofdstuk 4.8 Dak- en thuislozen en ex-prostituees

DWI stelt een briefadres ter beschikking aan de adresloze jongere. De jongere is verplicht zich in te schrijven op dit briefadres.

Aanvragen voor een werkleeraanbod die worden gedaan in een gemeente die niet als centrumgemeente geregistreerd staat, moeten worden doorverwezen naar een centrumgemeente. De jongere is vrij in de keuze van de centrumgemeente. Een voorwaarde is de zogenaamde regiobinding; een jongere moet in een periode van drie jaar ten minste twee jaar binding hebben gehad met de gemeente om recht te kunnen doen gelden op maatschappelijke opvang (MO). De MO stelt de regiobinding vast.

20.2.2 Nationaliteit

Amsterdamse jongeren tot 27 jaar met de Nederlandse nationaliteit of die rechtmatig in Nederland verblijven, kunnen een aanvraag indienen voor een werkleeraanbod. Voor de vaststelling van het rechtmatig verblijf wordt gekeken naar de verblijfstitel in de Gemeentelijke Basisadministratie Amsterdam. Een overzicht is te vinden in 4.1.2.2 Codering in GBA

20.2.3 Alleenstaande ouder, gezin en kind

De definitie van een alleenstaande ouder komt vrijwel overeen met de bepaling in de WWB. Het enige verschil is dat in het begrip kind, het pleegkind niet is opgenomen. Nu zal het niet vaak voorkomen dat jongeren pleegouder zijn maar het kan. Vanaf de leeftijd de 21 jaar kan men pleegouder worden (artikel 2, eerste lid van de Regeling pleegzorg). Het begrip pleegkind kan van belang zijn voor de toepassing van artikel 17 WIJ. In het vierde lid is namelijk opgenomen dat aan alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor een ten laste komend kind tot vijf jaar, een werkleeraanbod wordt gedaan dat gericht is op scholing of opleiding. Formeel kan dit artikel niet worden toegepast bij pleegkinderen maar op basis van het eerste, tweede en derde lid van artikel 17 kan in verband met zorgtaken, een aangepast aanbod worden gedaan.

In bepaalde gevallen worden ongehuwden gelijk gesteld aan gehuwden. Dit is met name als de feitelijke omstandigheden niet verschillen van die van gehuwden. Bijvoorbeeld wanneer ongehuwd samenwonenden een gezamenlijke huishouding voeren. Een uitzondering vormt samenwoning van bloedverwanten met een zorgbehoefte. 
Dit artikel sluit aan op de definitiebepaling van de WWB. Meer informatie te vinden in 
5.2.4 Gezamenlijke huishouding en 5.2.5 Bloedverwanten in eerste en tweede graad

20.3 Werkleeraanbod

Jongeren die bij het Jongerenloket terecht komen worden in eerste instantie voorzien van advies en informatie. In deze verkenningsfase wordt bepaald of de jongere in aanmerking komt of gebruik wenst te maken van een werkleeraanbod. Is dit laatste het geval, dan is sprake van een aanvraag voor een werkleeraanbod waarbij de bepalingen en voorwaarden van de WIJ gelden. Belangrijk is dat de jongere het aanvraagformulier op dat moment ook ondertekent (WIJ0012).

Wanneer het komt tot een werkleeraanbod is het uitgangspunt; datum aanvraag is ingangsdatum inkomensvoorziening. Indien, door omstandigheden die de jongere niet te verwijten valt, de aanvraag later is ingediend kan de aanvraagdatum worden vastgesteld op de datum van melding bij het UWV/WERKbedrijf. De omstandigheden worden individueel beoordeeld door de klantmanager. Hierbij wordt met name gekeken naar de medewerking die de jongere heeft verleend bij de totstandkoming van het werkleeraanbod.

20.3.1 Rechthebbenden werkleeraanbod

Bij een aanvraag voor een werkleeraanbod moet eerst worden vastgesteld of de jongere tot de doelgroep behoort. In principe komen alle jongeren vanaf 16 jaar tot 27 jaar in aanmerking voor een werkleeraanbod. Een voorwaarde is dat de jongere geen inkomen heeft boven de toepasselijke WIJ-norm. Naar het vermogen wordt in dit stadium nog niet gekeken. Voor jongeren onder de 18 gelden andere (aanvullende) voorwaarden te weten;

geen scholing of opleiding volgen

  • minder dan 16 uur per week werkzaam op de arbeidsmarkt
  • voldoen aan de kwalificatieplicht of hiervoor een vrijstelling hebben

Als er een partner is, wordt bij de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod, niet gekeken naar het inkomen/vermogen van deze partner. Als beide partners een aanvraag indienen voor een werkleeraanbod, dient dit afzonderlijk van elkaar te gebeuren. Aan beiden wordt een individueel werkleeraanbod gedaan. De vaststelling van het recht is een individuele toetsing.

20.3.2 Geen rechthebbenden werkleeraanbod

Een aantal jongeren hebben geen recht op een werkleeraanbod. Het gaat om de jongere die:

  • een opleiding volgt die uit’s Rijks kas bekostigd wordt. Rijk. Dit geldt niet trainingen cq opleidingen gericht op maatschappelijk functioneren en sociale redzaamheid en opleidingen Nederlands als 2e taal niveau 1 en 2;
  • in detentie zit (uitzonderingen worden vermeld in hoofdstuk 4.10 Gedetineerden
  • militaire of vervangende dienstplicht vervult;
  • een overeenkomst heeft met zijn werkgever inzake onbetaald verlof en hierdoor geen arbeid verricht;
  • als zelfstandige op grond van artikel 78 WWB een beroep kan doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

20.3.3 Jongere weigert werkleeraanbod

De aanvraag van een werkleeraanbod van een jongere die geen medewerking verleent bij de totstandkoming van het werkleeraanbod, wordt buiten behandeling gelaten en kan dus geen aanspraak maken op een inkomensvoorziening.

20.3.4 Vaststellen inhoud werkleeraanbod

Zodra een jongere een werkleeraanbod heeft aangevraagd, moet binnen een termijn van 8 weken een aanbod worden gedaan. Bij het vaststellen van de inhoud van het werkleeraanbod, is een goede afstemming tussen de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere noodzakelijk. De jongere wordt gevraagd naar zijn wensen ten opzichte van het werkleeraanbod en deze worden vastgelegd in het aanvraagformulier (WIJ0012). De wensen zijn niet leidend bij de vaststelling van de inhoud. De klantmanager beoordeelt uiteindelijk welk aanbod het meest passend is. Als wordt afgeweken van de wensen van de jongere, moet dit worden opgenomen in zowel het besluit als de rapportage. Een goede verslaglegging is daarom noodzakelijk.

De klantmanager kan tot het oordeel komen dat een jongere niet in staat is (belemmeringen) deel te nemen aan een werkleeraanbod door in of buiten de persoon gelegen omstandigheden. De jongere kan in dat geval wel recht hebben op een inkomensvoorziening (zie 20.4 Inkomensvoorziening).

20.3.5 Belemmeringen en medisch advies

Wanneer sprake is van belemmeringen, wordt doorgaans geen werkleeraanbod gedaan. Omdat niet altijd duidelijk is vast te stellen is of daadwerkelijk sprake is van belemmeringen, kan medisch advies worden aangevraagd bij een arts. Aan de arts kan eveneens advies gevraagd worden over een noodzakelijk te volgen medische behandeling. Deze behandeling heeft dan als doel het wegnemen of beter hanteerbaar maken van belemmeringen en risico’s voor het functioneren van de jongere. Daarnaast kan, wanneer al een behandeling wordt gevolgd, advies ingewonnen worden over de behandeling.

De jongere moet meewerken aan deze procedure. Bij onvoldoende medewerking kan afstemming plaatsvinden. Wanneer sprake is van een aanvraag voor een werkleeraanbod, wordt deze buiten behandeling gelaten in verband met onvoldoende medewerking bij de totstandkoming. Uiteraard dient de jongere voor afstemming in de gelegenheid te worden gesteld om verweer te geven. Tevens kan advies worden ingewonnen bij de verzekeringsarts of het verwijtbare gedrag vanuit medisch oogpunt toe te rekenen valt.

Naast de verplichting om mee te werken aan dit onderzoek en de behandeling, gelden de volgende verplichtingen;
een keuze maken met betrekking tot een medische behandeling;
mee te werken aan een lopende medische behandeling;
bij het afbreken van een lopende behandeling een keuze te maken voor een andere medische behandeling.

De belemmeringen dienen te worden geregistreerd in RAAK. Daarnaast kunnen afspraken worden vastgelegd in het afsprakenplan. In dit afsprakenplan wordt, naast de gemaakte afspraken, ook een rappeldatum opgenomen. Deze datum is zowel voor de jongere als de klantmanager een herinnering om te beoordelen of de belemmeringen voor het niet doen van een werkleeraanbod nog steeds van toepassing is.

20.3.6 Inhoud van een werkleeraanbod

Een werkleeraanbod kan bestaan uit het aanbieden van:

  • algemeen geaccepteerde arbeid
  • een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
  • ondersteuning bij arbeidsinschakeling

Het aanbod is vastgelegd in de Re-integratieverordening WWB en WIJ van de gemeente Amsterdam.

Ad 1: Algemeen geaccepteerde arbeid: 
Een aanbod kan bestaan uit algemeen geaccepteerde arbeid (artikel 5 WIJ). Dit betekent dat er geen beperkende voorwaarden worden gesteld aan aard en omvang van het werk, noch op de aansluiting op opleiding en werkervaring. Wel dient gekeken te worden naar de individuele mogelijkheden van de jongere in relatie tot gezondheid en belastbaarheid. Algemeen geaccepteerde arbeid kan ook tijdelijk werk of seizoenswerk inhouden.

Ad 2: Voorziening gericht op arbeidsinschakeling: 
Bij een voorziening gericht op arbeidsinschakeling moet gedacht worden aan de instrumenten van DWI; traject, flankerende voorzieningen, inburgeringstrajecten, maatschappelijke participatie of sociale activering. Het gaat om jongeren die de stap naar de reguliere arbeidsmarkt nog niet kunnen maken. Het werkleeraanbod kan bestaan uit meerdere voorzieningen tegelijkertijd. Periodiek wordt met de jongere overlegd wat nodig is om de afstand tot de arbeidsmarkt verder te verkleinen. Duurzame arbeidsinschakeling blijft het einddoel.

Traject/stage DWI 
Een aantal van deze voorzieningen is aangemerkt als traject. Een traject kan een inkomensvoorziening genereren wanneer wordt voldaan aan overige voorwaarden (zie 20.4 Inkomensvoorziening) Voorheen werden deze trajecten aangemerkt als stage en genereerde zij een stagevergoeding. Voor jongeren die dit nog ontvangen, zijn de werkvoorschriften uit hoofdstuk 19. Stages en stagevergoedingen van toepassing.

Flankerende voorzieningen, inburgering en sociale activering 
Wanneer wordt overgegaan tot het inzetten van een van bovenstaande instrumenten, geldt dat de jongere in aanmerking kan komen voor een inkomensvoorziening uit de WIJ. Ervan uitgaande dat aan alle overige voorwaarden/verplichtingen is voldaan (zie 20.4 Inkomensvoorziening).

Traineeplaatsen
In het kader van het Actieplan Jeugdwerkloosheid zijn er traineeplaatsen ontwikkeld voor de hoger opgeleide werkloze jongeren tot 27 jaar. Jongeren die de school verlaten met een diploma op MBO niveau 2 of hoger, kunnen in aanmerking komen voor een traineeplaats. Een traineeplaats is van tijdelijke aard en mag maximaal 6 maanden duren. Het werk moet daarnaast additioneel zijn. Het zoeken naar regulier werk blijft de prioriteit behouden tijdens het werken als trainee. Door het tijdelijke karakter kunnen jongeren werkervaring opdoen en wordt zodoende een gat in het CV voorkomen. 
Een jongere die deelneemt aan een traineeplaats kan in aanmerking komen voor een inkomensvoorziening (zie 20.4 Inkomensvoorziening) en een OV abonnement. Jongeren die deelnemen aan een traineeplaats buiten Amsterdam, kunnen via de regels van premies en onkostenvergoeding in het kader van re-integratie, in aanmerking komen voor een trajectvergoeding op maat. Deze individuele vergoeding kan niet in combinatie met een OV abonnement of een forfaitaire vergoeding. Zie beleidsvoorschriften 1.5 Premies en onkostenvergoedingen

Ad 3: Ondersteuning bij arbeidschakeling: 
Van de regeling loonkostensubsidie kan als ondersteuning bij arbeidsinschakeling gebruik worden gemaakt. Dit wordt beoordeeld door VSA
(zie 21.4. De Loonkostensubsidie (LKS).

20.3.7 Uitvoering werkleeraanbod

De jongere dient uiterlijk twee weken na het aanbod, uitvoering te geven aan het aanbod. Mocht de jongere niet in staat zijn hieraan gehoor te geven, door bijzondere omstandigheden die hem niet te verwijten vallen, is de termijn twee maanden. Denk bijvoorbeeld aan sociale, geestelijke of lichamelijke belemmeringen. Is het niet mogelijk binnen de termijn van twee maanden deel te nemen aan het aanbod, dan wordt een ander werkleeraanbod aangeboden waardoor de jongere wel direct aan de slag kan. Het mag niet zo zijn dat de jongere langer dan twee maanden ‘stil zit’.

Het hebben van zorgtaken kan worden beschouwd als een sociale belemmering. Als door middel van kinderopvang tegemoet kan worden gekomen aan de sociale belemmering, kan de jongere een volledig werkleeraanbod krijgen. Net als artikel 9a WWB is ook aan de alleenstaande ouders met een kind tot vijf jaar de mogelijkheid geboden een aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid niet te aanvaarden. Deze ouders kunnen een verzoek indienen om het werkleeraanbod vorm te geven met scholing of opleiding. Als blijkt dat dit verzoek de krachten en bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat, dan dient het aanbod gericht te zijn op een andere voorziening gericht op arbeidsinschakeling

20.3.8 De plichten van een jongere

De jongere met een werkleeraanbod is gebonden aan wettelijke verplichtingen. Kort samengevat gaat het om de volgende verplichtingen:

  • voldoen aan de inlichtingenplicht; melding van alle feiten en omstandigheden die van invloed zijn op het recht op een werkleeraanbod;
  • meewerken aan het opstellen van een plan ten behoeve van arbeidsinschakeling, inclusief een onderzoek naar de mogelijkheden hiervan;
  • geen onredelijke eisen stellen die acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid in de weg staan;
  • meewerken aan het behoud en bevorderen van de arbeidsbekwaamheid;
  • meewerken aan activiteiten of werkzaamheden gericht op arbeidsinschakeling;
  • opgedragen activiteiten of werkzaamheden naar beste vermogen verrichten;
  • op advies van een arts zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

20.3.9 Opschorten werkleeraanbod

Opschorting van het recht op een werkleeraanbod vindt plaats als blijkt dat het adres van de jongere, (of van zijn partner of kind) afwijkt van het adres zoals vermeld in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA). Zodra dit het geval is, wordt de jongere schriftelijk op de hoogte gesteld van de opschorting. De jongere wordt in de gelegenheid gesteld om het adres te wijzigen. De opschorting wordt ongedaan gemaakt zodra het verzuim is hersteld. Er kan van opschorting worden afgezien als de afwijking geen gevolgen heeft voor het werkleeraanbod, de jongere niet te verwijten valt of indien dringende redenen aanwezig zijn. Wanneer een jongere binnen een termijn van drie maanden na de opschorting, geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek tot herstel of wijziging, wordt het werkleeraanbod ingetrokken. Zodra sprake is van het opschorten van het werkleeraanbod, vindt eveneens opschorting van de inkomensvoorziening plaats.

Opschorting van het werkleeraanbod kan ook wanneer de jongere niet (voldoende) meewerkt en zich niet aan gemaakte afspraken houdt (artikel 21 onderdeel b WIJ). De jongere wordt op de hoogte gesteld van de opschorting en tegelijkertijd uitgenodigd voor een verweergesprek. De uitkomst van dit gesprek kan een herziening, intrekking of sanctie als gevolg hebben. Aan deze reden van opschorting zit een maximum termijn verbonden van acht weken. Wederom heeft de opschorting van het werkleeraanbod invloed op de betaalbaarstelling van de inkomensvoorziening.

Tevens vind een opschorting plaats wanneer een jongere in detentie verblijft. Dit in het kader van de nazorg detentie aanpak (zie hoofdstuk 4.10.11 Het Amsterdamse Nazorgtraject (ex-gedetineerden).

Op Jongerenloket Zuid-Oost worden twee klantmanagers gedeeltelijk vrij gesteld van werkzaamheden in het kader van nazorg detentie. Deze klantmanagers dragen onder andere zorg voor terugkoppeling vanuit het casuïstiek overleg in het veiligheidshuis. Wanneer sprake is van detentie, wordt dit doorgegeven aan de klantmanager van de jongere. Er kunnen zich twee situaties voordoen, te weten; jongeren die maximaal 8 weken (of korter) in detentie verblijven en jongeren die langer dan 8 weken in detentie verblijven.

Kortgestraften (maximaal 8 weken):
Als duidelijk is dat de jongere 8 weken of minder in detentie zal verblijven, wordt het werkleeraanbod net als de inkomensvoorziening opgeschort voor de duur van de detentieperiode. Er kan gebruik worden gemaakt van de WIJ 0033. In dit besluit wordt de jongere verzocht om bij vrijlating zo spoedig mogelijk contact op te nemen met DWI. Als dit niet gebeurt, wordt het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening ingetrokken. Het is daarom belangrijk om de termijn goed te bewaken.

Wanneer de jongere gehoor geeft aan het verzoek, de dag van vrijlating bijvoorbeeld, kan de opschorting ongedaan worden gemaakt. Over de detentie periode bestaat geen recht op uitbetaling van de inkomensvoorziening. Dit omdat over die periode geen uitvoering is gegeven aan het werkleeraanbod.

Als de jongere zich meldt zal doorgaans het werkleeraanbod worden herzien, WIJ 0016. In dit besluit geef je aan; a) dat de opschorting ongedaan wordt gemaakt, b) aan welk traject de jongere gaat deelnemen en c) dat geen recht bestaat op een werkleeraanbod of een financiële vergoeding gedurende de detentieperiode. Onderdelen a) en c) zijn vrije tekst.

Langer dan 8 weken detentie:
Zowel het werkleeraanbod als de inkomensvoorziening wordt beëindigd met ingang van de datum van detentie. De reguliere brief WIJ 0018 wordt hiervoor gebruikt met als reden de opname in detentie. De jongere kan zich melden na vrijlating.

20.3.10 Intrekken of herzien werkleeraanbod

Indien een jongere niet voldoet aan één of meerdere van de verplichtingen genoemd in paragraaf 20.3.7 Uitvoering werkleeraanbod, kan dit intrekking of herziening van het werkleeraanbod tot gevolg hebben (artikel  21 WIJ). Het niet nakomen van deze verplichtingen moet verwijtbaar zijn als wordt overgegaan tot intrekking van het recht. Als het recht op een werkleeraanbod wordt ingetrokken op grond van artikel 21 WIJ heeft dit gelijktijdig consequenties voor de inkomensvoorziening.

Het kan ook zijn dat er sprake is van een wijziging in de situatie van de jongere. Bijvoorbeeld op het gebied van de krachten en/of bekwaamheden die de jongere niet te verwijten valt maar waardoor geen uitvoering meer kan worden gegeven aan het werkleeraanbod. Het werkleeraanbod wordt in dit geval niet ingetrokken maar herzien. Er wordt gezocht naar een nieuw werkleeraanbod waarbij rekening wordt gehouden met de gewijzigde situatie. Het nieuwe aanbod wordt afgestemd op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere.

20.3.11 Nieuw aanbod

Als de jongere het werkleeraanbod heeft doorlopen maar niet is uitgestroomd met een zelfstandig inkomen, dient ambtshalve een nieuw werkleeraanbod te worden gedaan. Dit aanbod sluit aan op het oude.

20.3.12 Uitsluiting van werkleeraanbod

Een jongere kan worden uitgesloten van het recht op een werkleeraanbod (artikel 22 WIJ) wanneer sprake is van herhaaldelijk zeer ernstige en verwijtbare misdragingen. Dit kan het geval zijn tijdens de uitvoering van een werkleeraanbod maar ook voor de aanvraag tot stand is gekomen. Bijvoorbeeld wanneer de jongere zich misdraagt tegenover de ambtenaar. De jongere die wordt uitgesloten, kan zich na een maand weer melden voor het heroverwegen van deze uitsluiting. De klantmanager kan de termijn van bezinning ook korter dan vier weken vaststellen. De maximale termijn van uitsluiting op het recht van een werkleeraanbod is vier weken.

20.4 Inkomensvoorziening

De inkomensvoorziening is een afgeleide van het werkleeraanbod. Er kan alleen recht bestaan op een inkomensvoorziening als de jongere het werkleeraanbod aanvaardt, daaraan meewerkt, geen of onvoldoende inkomsten verwerft en niet over ander vermogen of inkomen beschikt. Jongeren waarvan niet kan worden verwacht dat zij uitvoering geven aan het werkleeraanbod kunnen ook aanspraak maken op een inkomensvoorziening.

De WIJ kent de volgende jongerennormen:

  • alleenstaande;
  • alleenstaande ouder;
  • gehuwden beiden jonger dan 27 jaar zonder kinderen;
  • gehuwden beiden jonger dan 27 jaar met kinderen;
  • gehuwden zonder kinderen, waarvan 1 partner jonger is dan 27;
  • gehuwden met kinderen, waarvan 1 partner jonger is dan 27.

Jongeren onder de 21 jaar kunnen in aanmerking komen voor aanvullende bijzondere bijstand uit de WWB.

Bijzondere bijstand
Als de bestaanskosten van jongeren boven de toepasselijke basisnorm uitkomen, dan moeten de jongeren voor deze kosten aankloppen bij hun ouders (Artikel 12. Onderhoudsplicht ouders WWB). Die zijn immers onderhoudsplichtig. Alleen als dat onmogelijk is, kun je boven op de norm een toeslag op grond van bijzondere bijstand verlenen als:

  • de middelen van de ouders ontoereikend zijn;
  • de jongere zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde kan maken.

Zie hoofdstuk 9. Bijzondere Bijstand.

Let op: ouders van een jongere hebben geen onderhoudsplicht voor hun kleinkinderen (de kinderen van de jongere). Daarom is de norm voor jongeren met kinderen hoger dan voor jongeren zonder kinderen.

Een overzicht van alle normen vind je bij Afdelingsberichten/normkaartjes

 

 

20.4.1 Ambtshalve vaststelling

Het recht op een inkomensvoorziening wordt door de klantmanager ambtshalve vastgesteld wanneer het recht op een werkleeraanbod is vastgesteld (artikel 25 WIJ). De jongere hoeft dus geen aparte aanvraag in te dienen voor de inkomensvoorziening. De jongere dient wel een inlichtingenformulier in te vullen. Binnen 8 weken dient een beslissing te worden genomen op een aanvraag. Alleen als die termijn niet kan worden gehaald, kan de termijn worden verlengd.

Als de jongere niet, niet tijdig of niet naar behoren voldoet aan de informatieplicht voor het vaststellen van het recht op de inkomensvoorziening, kan de behandeling worden opgeschort (artikel 40 WIJ). Dit geldt niet voor de behandeling van de aanvraag op het werkleeraanbod.

20.4.2 Recht op inkomensvoorziening

Er bestaat recht als:

  • iemand 18 jaar of ouder is;
  • de jongere een aanvraag om een werkleeraanbod heeft ingediend;
  • de jongere recht heeft op een werkleeraanbod;
  • de jongere uitvoering geeft aan het werkleeraanbod
  • de jongere geen uitvoering kan geven aan het werkleeraanbod wegens belemmeringen
  • het inkomen van de jongere (en dat van zijn partner samen) onder de van toepassing zijnde norm ligt;
  • zijn vermogen (en dat van de partner samen) onder de grens van de vermogens vrijlating ligt

20.4.3 Geen recht op inkomensvoorziening

  • Weigering werkleeraanbod;

Een jongere heeft geen recht op een inkomensvoorziening als de jongere het werkleeraanbod heeft geweigerd. Als de jongere een nieuwe aanvraag indient voor een werkleeraanbod geldt de voorwaarde dat nieuwe feiten of omstandigheden aanwezig moeten zijn. De jongere moet bijvoorbeeld aantonen dat ditmaal wel wordt meegewerkt aan het werkleeraanbod. De inkomensvoorziening wordt wederom ambtshalve vastgesteld.

  • Voorliggende voorziening;

Een jongere (of gezin) die een beroep kan doen op een voorliggende voorziening heeft geen recht op een inkomensvoorziening. Deze voorziening moet gezien haar aard en doel, passend en toereikend zijn voor de jongere.

  • Niet nakomen van verplichtingen;

Een jongere die zijn verplichtingen niet nakomt voor de beoordeling van het recht op een inkomensvoorziening, heeft geen recht. Tevens heeft de jongere die zijn verplichtingen niet nakomt bij de uitvoering van het werkleeraanbod, geen recht op een inkomensvoorziening.

  • Werkstaking of –uitsluiting;

Een jongere die zijn reguliere werkzaamheden onderbreekt wegens een werkstaking heeft geen recht op een inkomensvoorziening. De jongere die uitgesloten wordt door zijn werkgever, ook niet.

  • Te lang in het buitenland;

Indien de jongere per kalenderjaar langer dan dertien weken buiten Nederland verblijft. Hieraan zit per keer een maximum verbonden van vier onafgebroken weken. Bepalend voor het verlenen van een verblijf in het buitenland is dat de voortgang van het werkleeraanbod niet in het geding mag komen.

  • Werkleeraanbod is ingetrokken;

Een jongere wiens werkleeraanbod is ingetrokken, heeft geen recht op een inkomensvoorziening.

  • Gedetineerden;

Een jongere in detentie komt niet in aanmerking voor een inkomensvoorziening. Een uitzondering wordt gemaakt voor jongeren met een taakstraf, jongeren die in aanmerking komen voor een penitentiair programma en jongeren aan wie proefverlof is verleend (4.10 Gedetineerden).

  • (Vervangend) dienstplicht;

De diensplicht bestaat formeel nog in Nederland maar wordt niet ten uitvoer gebracht. Wel kunnen jongeren worden opgeroepen ter voldoening aan een buitenlandse militaire of vervangende dienstplicht.

  • Opschorting van het werkleeraanbod

Zodra het werkleeraanbod is opgeschort wegens bijvoorbeeld het niet voldoen aan de verplichtingen, vindt opschorting plaats van de inkomensvoorziening.

  • 18-21 jarigen in inrichting;

Een jongere van 18-21 jaar die in een inrichting verblijft, heeft geen recht op een inkomensvoorziening.

  • Jongere of partner in WWIK;

De jongere die een WWIK uitkering ontvangt heeft geen recht op een inkomensvoorziening. Dit is ook het geval als de jongere partner is van iemand met een WWIK uitkering.

  • Onbetaald verlof;

Een jongere die onbetaald verlof heeft, kan geen aanspraak maken op een inkomensvoorziening. Een uitzondering vormt de groep alleenstaande ouders die onbetaald ouderschapsverlof opnemen op grond van hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg.

  • Zelfstandigen;

Een jongere die zelfstandige is en aanspraak kan maken op het Bbz 2004 heeft geen recht op een inkomensvoorziening. Het betreft in dit geval ook jongeren die hier een beroep op kunnen doen maar dit om welke reden dan ook niet doen.

20.4.4 Inkomstenverrekening

Als een jongere inkomsten ontvangt naast de inkomensvoorziening, worden deze volledig in mindering gebracht. Bij gehuwden wordt het gezamenlijke inkomen van de jongere en de partner verrekend in het geval een gezinsnorm van toepassing is. Indien de partner geen recht heeft op de inkomensvoorziening van de WIJ, betreft het een niet rechthebbende partner, meer informatie is te vinden in paragraaf 20.4.7.2. Het begrip inkomen is grotendeels gelijkgesteld met de bepaling(en) die gelden binnen de WWB. Uitzonderingen hierop zijn de jonggehandicapten korting, de aanvullende alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Deze heffingskortingen worden onder de WIJ wel als inkomsten gezien en moeten dus gekort worden op de inkomensvoorziening.

20.4.5 Vrijlating en premies

De WIJ gaat uit van het idee dat jongeren die kunnen werken en/of leren, dit ook moeten doen. Een beloning is daarom niet van toepassing. De WIJ kent geen inkomstenvrijlating. Daarnaast worden premies, onkostenvergoedingen voor vrijwilligerswerk als inkomsten gezien en dus verrekend op de inkomensvoorziening. Jongeren kunnen wel in aanmerking komen voor een forfaitaire vergoeding 1.5 Premies en onkostenvergoedingen.

20.4.6 Vermogen

Voor de beoordeling van het recht op een inkomensvoorziening moet gekeken worden naar de vermogenssituatie van de jongere. Onder vermogen worden alle bezittingen van de alleenstaande of het gezin gerekend, vermindert met de aanwezige schulden en alle middelen voor zover deze geen inkomsten betreffen. Deze bepaling is gelijk aan die van de WWB. Ook voor jongeren in de WIJ geldt een vermogensgrens;

  • Alleenstaande € 5.555,-
  • Alleenstaande ouder € 11.110,-
  • Gehuwden tezamen € 11.110,-

Jongeren met een eigen woning kunnen binnen de bepalingen van de WIJ in aanmerking komen voor een krediethypotheek. Meer informatie is te vinden in 6.4 Eigen woning, krediethypotheek en pandrecht en 19.4 De stagevergoeding en inkomsten

20.4.7 Gehuwden/samenwonenden

In bepaalde gevallen worden ongehuwden gelijk gesteld aan gehuwden. Dit is met name het geval als de feitelijke omstandigheden niet verschillen van die van gehuwden. Bijvoorbeeld wanneer ongehuwd samenwonenden een gezamenlijke huishouding voeren. Een uitzondering vormt samenwoning van bloedverwanten met een zorgbehoefte. Dit artikel sluit aan op de definitiebepaling van de WWB. Meer informatie te vinden in 5.2.4 Gezamenlijke huishouding en 5.2.5 Bloedverwanten in eerste en tweede graad.

20.4.7.1 Niet rechthebbende partner

Onder niet-rechthebbende partner wordt niet alleen de partner verstaan die op formele gronden is uitgesloten van de WIJ zoals bij detentie of illegaal verblijf in Nederland. Ook de partner met een WWB uitkering wordt gezien als niet-rechthebbende partner.

Een jongere met een niet rechthebbende partner heeft recht op de norm alleenstaande of alleenstaande ouder. Als de jongere een inkomen ontvangt, moet dit worden getoetst aan de van toepassing zijnde inkomensvoorzieningsnorm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Vervolgens wordt bekeken of het eventuele inkomen van de partner in aanmerking genomen moet worden. Dit is het geval als het inkomen van de samenwonenden/gehuwden tezamen meer zou bedragen dan de toepasselijke gehuwdennorm. Ook een 18-26 jarige partner die zelf geen individuele aanvraag voor een werkleeraanbod heeft ingediend, wordt voor de vaststelling van de inkomensvoorzieningsnorm gezien als niet rechthebbende partner.

20.4.7.2 Beiden jonger dan 27 jaar

Als beiden jonger zijn dan 27 jaar, moeten beiden een individueel werkleeraanbod aanvragen. Dit betekent dat beiden een apart besluit ontvangen over het werkleeraanbod. Dit geldt niet voor de inkomensvoorziening. Deze wordt aan beiden verstrekt in één besluit.

20.4.7.3 Partner en verplichtingen

De verplichtingen aan het werkleeraanbod zijn geïndividualiseerd in de artikelen 44 en 45 WIJ. In geval van gehuwden/samenwonenden waarbij beiden recht hebben op een werkleeraanbod, gelden deze verplichtingen voor allebei.

20.4.7.4 Samenloop WIJ en WWB

Wanneer een jongere een partner heeft van 27 jaar of ouder, kan sprake zijn van samenloop tussen een WIJ-inkomensvoorziening en WWB-algemene bijstand. In zo’n situatie worden, indien geen kinderen aanwezig zijn, beiden aangemerkt als alleenstaande (50%). Samen ontvangen ze echter niet meer inkomensvoorzieing/WWB uitkering dan de norm voor een gezin (100%).

Zijn er kinderen, dan krijgt de partner met een WWB de norm alleenstaande ouder (70%). De jongere ontvangt een aanvulling uit de inkomensvoorziening uit de WIJ tot de toepasselijke gezinsnorm (30%). Dit bedrag wordt door Socrates zelf berekend. Wederom ontvangen ze samen de norm voor een gezin (100%).

Er worden geen toeslagen verstrekt in bovenstaande situaties. Dit is wel het geval wanneer de WIJ gerechtigde partner geen recht heeft op een werkleeraanbod, bijvoorbeeld door het niet accepteren of wegens intrekking. Het toeslagenbeleid pas je in dit geval wel op de WWB gerechtigde toe.

20.4.8 Ingangsdatum inkomensvoorziening

De inkomensvoorziening wordt bij voldoende medewerking van de jongere, toegekend vanaf de dag dat de aanvraag om een werkleeraanbod is ingediend. De ingangsdatum kan dus niet voor de aanvraagdatum van het werkleeraanbod liggen.

Zodra sprake is van een verlenging en de jongere aanvaardt het nieuwe werkleeraanbod, kan de inkomensvoorziening aansluitend doorlopen, mits aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Is de periode langer dan 30 dagen, dan wordt het recht op een inkomensvoorziening aansluitend op de datum van de eerdere beëindiging toegekend (artikel 38 lid 3 WIJ).

20.4.9 Norm bij verblijf in inrichting

Voor jongeren die in een instelling verblijven, gelden andere normen namelijk de norm voor personen opgenomen in een inrichting. Als een opname (naar verwachting) korter duurt dan drie maanden, dan zet je de norm niet om naar personen in een inrichting. Meer informatie is terug te vinden in hoofdstuk 5.3 Personen in een inrichting.

20.4.10 Verhoging van de basisnorm

In bepaalde omstandigheden kunnen toeslagen worden toegepast voor jongeren vanaf 21 jaar. De WIJ sluit hierbij aan bij het systeem van de WWB. De situatie van de jongere kan aanleiding geven tot het verhogen van de inkomensvoorzieningsnorm. Als blijkt dat de jongere hogere noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan in de norm wordt voorzien en deze kosten kunnen niet worden gedeeld, kan een toeslag worden verstrekt. Deze bedragen zijn gelijk aan de WWB toeslagen. Gezinnen die de kosten geheel of gedeeltelijk kunnen delen, ontvangen een verlaagde norm.

Voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar gelden andere toeslagen dan voor de klanten van 23-27 jaar. De toeslagen gelden voor:

  • alleenstaande ouders;
  • alleenstaanden van 21 of 22 jaar;
  • alleenstaanden van 23 tot 27 jaar.

Enkele voorbeelden van verhoging van de basisnorm in artikel 3 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm van de Toeslagenverordening WWB en WIJ bij de Gemeentelijke regelgeving

  • voor de alleenstaande van 23 tot 27 jaar, of voor de alleenstaande ouder is de toeslag 20% van het netto minimumloon;
  • voor de alleenstaande van 23 tot 27 jaar, of voor de alleenstaande ouder die in een huis woont waar ook nog iemand anders woont, is de toeslag 10% van het netto minimumloon;
  • voor de alleenstaande van 21 of 22 jaar, bedraagt de toeslag 5% van het netto minimumloon;
  • voor de alleenstaande van 23 tot 27 jaar, die dakloos is, maar niet in een inrichting (artikel 1, onder g.2 WWB) verblijft, is de toeslag 10% van het netto minimumloon,  mits hij regelmatig gebruik maakt van de opvang voor daklozen. De uitvoering van de bijstandsverlening aan daklozen gebeurt door het Team Zwerfjongeren;
  • voor een alleenstaande die op kamers woont en die aantoonbaar onderhuur betaalt van € 150 of meer per maand, is de toeslag 20% (deze situatie wordt niet aangenomen als de alleenstaande inwoont bij de ouder (s); tussen ouders en kinderen wordt namelijk niet het bestaan van een commerciële relatie aangenomen); een toeslag van 20% is ook aan de orde als een alleenstaande voor het recht van gebruik van een woning (bijv. als anti-kraakwacht) € 150 of meer aan vergoeding betaalt;
  • voor de alleenstaande van 23 tot 27 jaar of de alleenstaande ouder die hulpbehoevende is dan wel in wiens woning een hulpbehoevende zijn hoofdverblijf heeft, bedraagt de toeslag 20% van het netto minimumloon.

Let op: aantoonbare onderhuur is huur met een verklaring van de hoofdbewoner én huurbetalingsbewijzen.

Een overzicht van alle normen vind je bij Afdelingsberichten/normkaartjes

20.4.11 Verlaging van de basisnorm

Verlaging van de basisnorm van klanten 23 – 27 jaar kan als:

  • de klanten gehuwd of partners zijn; en
  • zij hun woonkosten geheel of gedeeltelijk delen met een ander; of
  • zij wonen in een huis waaraan geen woonkosten verbonden zijn.

Wanneer verlaag je de basisnorm 23 – 27 jarigen voor gehuwden, en met welk percentage?

  • voor de gehuwden die geen woonkosten hebben, is de verlaging 20% van het netto minimumloon;
  • voor de gehuwden die met een of meer anderen een woning bewonen waaraan woonkosten zijn verbonden, is de verlaging 10% van het netto minimumloon.
  • voor gehuwden die voor het recht van gebruik van een woning (bijv. als anti-kraakwacht) een vergoeding van minder dan € 150 betalen, is de verlaging 10% van het netto minimumloon.

Uitzonderingen zijn:

  • bij gehuwden met een hulpbehoevende medebewoner, wordt de gezinsnorm niet verlaagd;
  • bij gehuwden die op kamers wonen en die aantoonbaar onderhuur betalen van meer dan € 150,00 per maand, wordt de gezinsnorm niet verlaagd (deze situatie wordt niet aangenomen als een stel inwoont bij de ouder (s) van een van de partners; tussen ouders en kinderen wordt namelijk niet het bestaan van een commerciële relatie aangenomen);

Zie Artikel 4 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm van de Toeslagenverordening.
Deze kan je bereiken via de Startpagina gemeentelijke Wet en Regelgeving

Een overzicht van alle normen vind je bij Afdelingsberichten/normkaartjes

 

 

 

20.4.12 Voorschot

De gemeente dient iedere vier weken een voorschot aan de jongere te verstrekken zolang het recht op een inkomensvoorziening nog niet is vastgesteld en het aannemelijk is dat de jongere wel recht heeft op een inkomensvoorziening. De ingangsdatum is de dag waarop de jongere een werkleeraanbod heeft ingediend. Zodra het onderzoek is afgerond en de jongere komt in aanmerking voor een inkomensvoorziening, dan vindt een verrekening plaats. Is geen sprake van recht of is het bedrag te hoog dan wordt het voorschot teruggevorderd. Het voorschot bedraagt in ieder geval 90% van de verwachte norm (inclusief toepasselijke toeslag, minus eventuele inkomsten).

20.4.13 Opschorten inkomensvoorziening

Een inkomensvoorziening kan in de volgende situaties worden opgeschort:

  • de jongere verstrekt te laat of onvolledige gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het rechtop een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening;
  • de jongere werkt op een andere manier niet of onvoldoende mee aan het onderzoek tot het vaststellen van het recht rechtop een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening;;
  • de jongere voldoet niet aan de verplichtingen;

De opschorting wordt schriftelijk aan de jongere medegedeeld. In dit besluit staat de termijn vermeldt waarbinnen de jongere het verzuim kan herstellen. Gedurende de periode dat het werkleeraanbod is ingetrokken bestaat geen recht op een inkomensvoorziening.

20.4.14 Intrekking of herziening inkomensvoorziening

De toekenning van de inkomensvoorziening kan worden ingetrokken of worden herzien wanneer een jongere zijn verplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen. De jongere heeft immers ten onrechte een inkomensvoorziening ontvangen of een te hoog bedrag. De jongere had dit wel redelijkerwijze kunnen begrijpen.

Een inkomensvoorziening wordt herzien als wijzigingen optreden in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere. De inkomensvoorziening wordt ingetrokken als de jongere verwijtbaar niet voldoet aan één of meerdere op hem rustende verplichtingen.

20.4.15 Verlaging

Als de jongere zijn verplichtingen niet of onvoldoende nakomt of zich misdraagt, kan afstemming plaatsvinden op de inkomensvoorziening. De regels rondom afstemming WWB zijn in deze van toepassing 8. Opleggen maatregel (Afstemming)

Het bewust niet nakomen van de verplichtingen kan bij een ernstige overtreding leiden tot beëindiging van de inkomensvoorziening. Als de jongere zich herhaaldelijk misdraagt, kan hij worden uitgesloten van het recht op een werkleeraanbod en dus een inkomensvoorziening als daar recht op bestaat. 
(zie 20.3.12 Uitsluiting van werkleeraanbod).

20.4.16 Inlichtingenplicht

Een jongere moet alle wijzigingen die van invloed kunnen zijn op het recht op een inkomensvoorziening doorgeven. Daarnaast moet de jongere gehoor geven aan een verzoek om inlichtingen. Er mogen geen gegevens worden opgevraagd die in de basisregistratie kunnen worden teruggevonden.

 

 

1 Thought to werken en leren

  1. Lois Beantwoorden 8 maart 2012 at 06:33

    What a great blog

    #

Geef een reactie


Comment

btt
IP Blocking Protection is enabled by IP Address Blocker from LionScripts.com.